Een paard heeft eigenlijk drie natuurlijke gangen : stappen,
draven en galopperen. Alleen het correcte draven op een hoogst mogelijke
snelheid, dus zonder in galoppades te vallen, is wat paarden in draverijen horen
te doen.
De drafgangen
Dravers moeten zich op een diagonale gelijktijdige manier voortbewegen. Concreet
komt dit neer op het feit dat het linker voorbeen en het rechter achterbeen op
hetzelfde moment de grond moeten raken en omgekeerd.
Wanneer dit niet gebeurt wordt het paard uitgeschakeld.
Dit gebeurt bij vier verschillende situaties :
1. Het paard springt in galop.
2. Het paard gaat in de telgang. Dit is de Nederlandse benaming voor het
Amerikaanse woord "pace" of het Franse "amble". Hiermee wordt bedoeld dat het
paard, zoals bijvoorbeeld kamelen doen, het rechter voorbeen en het rechter
achterbeen op hetzelfde moment de grond laten raken.
3. Het paard loopt in "traquenard". Hiermee bedoelen we dat het paard met
de voorbenen draaft, maar niet met de achterbenen.
4. Het paard loopt in "aubin". Hiermee bedoelen we dat het paard met de
achterbenen draaft, maar met de voorbenen galopsprongetjes maakt.
Bij het tweede, derde en vierde geval spreekt men van het feit dat het paard,
onregelmatig draaft en wordt hij, net zoals bij zuivere galoppassen,
uitgesloten.
![]()
![]()
![]()
![]()
![]()

![]()
